2012 Architecten: Van zooi naar mooi

Dit jaar wordt hun eerste woonhuis opgeleverd. Of eigenlijk een villa, grotendeels opgetrokken uit afval en restmateriaal uit de directe omgeving. Al een decennium lang is het vinden van innovatieve toepassingen voor overtollige spullen de creatieve motor van 2012 Architecten. Inmiddels is het ook hun handelskenmerk.

Bij een bezoek aan de Caraïben begin jaren zestig schrok bierfabrikant Heineken zo van de leefomstandigheden en de hoeveelheid rondslingerende pijpjes – op vele prijkte zijn naam – dat hij bij thuiskomst architect John Habraken de World Bottle liet ontwerpen: een bierfles met twee platte kanten waarvan een huis gemetseld kon worden. De fles kwam er, maar werd slechts in kleine oplage geproduceerd. Waardoor het bij goede bedoelingen bleef.

Gelukkig zijn er genoeg inventievelingen die zélf nuttige bestemmingen voor afval vinden. Zoals het Rotterdamse 2012 Architecten, bevlogen pleitbezorger en praktikant van ontwerpen en bouwen met (soms nog maagdelijk) overtollig materiaal uit de directe omgeving van het te realiseren project. Al tien jaar wijzen Jeroen Bergsma, Jan Jongert en Césare Peeren op de potentie van wat sinds afgelopen maand het gelijknamige boek verscheen kortweg Superuse heet.

Het idee is dat afval niet wordt gerecycled door het te ontleden tot laagwaardige grondstoffen (usance in de bouw), maar op basis van zijn bijzondere kenmerken wordt gebruikt in nieuwe ontwerpen. Zo blijft de toegevoegde waarde behouden en hoeft geen nieuw bouwmateriaal te worden geproduceerd. Wat een boel energie en CO2-uitstoot bespaart, want 30 procent van het afval en 25 procent van het verkeer is gerelateerd aan de bouw.

Plasluiers

Het door Jongert, Peeren en publicist Ed van Hinte geschreven boek geeft tal van geïllustreerde praktijkvoorbeelden. Wegens misdruk onbruikbaar verpakkingsmateriaal van vruchtensappen ter isolatie (het laagje aluminium weerkaatst warmte). Blokken ineengeperst papier, met zand gevulde autobanden en op elkaar gestapelde tapijttegels als bouwstenen voor een woning. En, meer extreem, gel uit plasluiers als fertilizer (in urine zit nitrogeen) en vochtvasthouder voor isolerende planten op een niet al te stevig dak (door de gel is minder aarde nodig).

Zelf naaide Jan Jongert in zijn studententijd met medestudenten overgebleven biefstukken uit de mensa aan elkaar en bouwde er een maquette mee. “Dat was natuurlijk ook provoceren.” De vertegenwoordiging van het grote aantal door 2012 Architecten bedachte projecten en toepassingen in Superuse getuigt ervan dat het Jongert en kompanen al sinds hun oprichting in 1997 menens is. Jongert: “Bij het bouwen van maquettes probeer je tijdens je studie voortdurend bestaand materiaal creatief te gebruiken. Waarom zou je dat niet in het groot doen, bedachten we? ”

“De eerste jaren deden we ervaring op met het werken met afval. Probeerden anderen erbij te betrekken, de krachten te bundelen. We stapten niet direct naar een woningbouwvereniging met het aanbod een woonwijk uit de grond te stampen.” Hoewel ze in 1999 wel met het plan voor de Witgoedwoning kwamen. Met de 10.000 koelkasten die jaarlijks in Rotterdam werden afgedankt zouden jaarlijks 22 woningen gerealiseerd kunnen worden.

Ook in overvloed voorradig zijn kabelhaspels, die na een tijdje de kracht om zware kabels te dragen verliezen. In 2001 bouwde 2012 van zes haspels de veerpont de Rottepont, autobinnenbanden dienden als drijvers. Later werd de Rottepont verbouwd tot speelobject voor kinderen in de straat waaraan het bureau zijn naam dankt en waar hun eerste kantoor zat.

Superuse 2012 architectenMateriaalstromen

In 1997 zou de Gerard Scholtenstraat worden gesloopt. Door het maken van een alternatief plan kreeg kreeg een bewonersvereniging de panden tot 2012 in eigen beheer. Het was 2012’s eerste project om een overtollig verklaard pand een langere woonduur te geven. Inmiddels is het bedrijf dat met een team van negen man werkt twee keer uit zijn jasje gegroeid en verhuisd.

Net als witgoed, autbanden en auto- of vliegtuigstoelen komen kabelhaspels vaker terug in de ontwerpen van 2012. Peeren gebruikte ze voor het meest recente Robodock-festival in een uit bewegende katrollen opgebouwde toegangspoort. En Jongert en Bergsma gebruiken op dit moment de losse planken van de haspeltrommel (door twee man in tien minuten te demonteren) voor de bekleding van Villa Welpeloo, waarover later meer. Jongert: “We zijn aan het pionieren: hoe kun je die materialen op een grote bouwschaal toepassen. Pas na verschillende ontwerpen krijg je inzicht in de beste toepassing van een materiaal.”

In die beginjaren ontwikkelde het bureau zijn huidige ontwerpstrategie en probeerde materiaalstromen beter op elkaar af te stemmen door de database en website Recyclity.net op te zetten. Om overbodig heen-en-weer-gesleep en opslagproblemen te voorkomen, moet het materiaal precies tijdens de bouwperiode “vrijkomen”. Recyclicity.net vervult een Marktplaats-achtige functie van vraag en aanbod en dient als kenniscentrum. Jongert hoopt dat het aantal gebruikers toeneemt als het lozen van afval duurder wordt. Op dit moment is het scouten naar afval of andere bruikbare spullen zo arbeidsintensief dat superuse de opdrachtgever nog niet genoeg prijsvoordeel oplevert.

Oogstkaart

Potentiële vindplaatsen zijn slooppanden, fabrieken, aannemers, gemeentelijke diensten, de spoorwegen enzovoort. Op basis van hun specifieke eigenschappen wordt gekeken of beschikbare materialen passen binnen het ontwerp. “Er is dus echt een wisselwerking”, weet Jongert. “Soms vind je iets waarvan je in eerste instantie niet eens weet waarvoor het dient en dan blijkt het precies te passen in wat je in je hoofd had. Alleen wel vaak in een heel andere vorm en andere samenstelling.”

Achterin het boekje Superuse staat een zogenaamde oogstkaart van een van de paradepaardjes van 2012: het in een monumentaal VOC-pand gevestigde experimentele centrum WORM. Rond het in Delfshaven gevestigde pand is een aantal vindplaatsen aangegeven. De oogst binnen een straal van 4 kilometer is onder andere het dubbel glas voor de geluidsisolatie en de vloeistoftanks die ieder afzonderlijk als toilet dienen (een prachtig ontwerp van Mark Heumer). Maar ook de autobanden. Daarvan is niet alleen een comfortabel zitmeubel gebouwd, maar er is ook apparatuur in verwerkt, zoals een draaitafel, een versterker en boxen. Dit is ontworpen door het onvolprezen Millegomme van Denis Oudendijk en Jan Korbes.

Voor het ventilatiesysteem, de levensader en ruggengraat van WORM, moest 2012 uitwijken naar Delft. Hierdoor wordt frisse lucht aangevoerd, de temperatuur geregeld en de kabelgoten, waterleiding en riolering zitten eraan gekoppeld. De bezoeker loopt letterlijk via de ventilatieschacht het pand binnen. Uiteindelijk is er voor 95 procent gebruik gemaakt van gerecycled materiaal.

WORM

Is het bij het werk van 2012 sowieso een sport op ieder detail te letten, in de wetenschap dat niks aan het VOC-pand mocht worden veranderd – geen spijkers of schroeven, wel lijmklemmen – en alles bovendien op korte termijn demonteerbaar en eventueel op een andere locatie weer op te bouwen moest zijn (vandaar de term WORM-mechaniek), kijk je helemaal verwachtingsvol naar iedere technische oplossing. Wat Jongert betreft zit de meest verrassende verstopt in de vloer. “Drie lagen systeemplafonds, die geluid isoleren maar ook brandvertragend zijn. Dat is zo’n materiaal waarvan je denkt: nee, daar kan echt niets meer mee. Dan merk je dat je blik toch al een beetje is vastgeroest. Daarom is samenwerken met anderen ook zo verfrissend.”

Begrensde mogelijkheden – door de beschikbare materialen en de wensen en eisen waaraan een project moet voldoen – zijn een belangrijke creatieve motor voor het bureau: hun vindingrijkheid mag flink worden aangesproken. “Het komt er op neer dat we zoveel mogelijk randvoorwaarden helder proberen te krijgen en de verschillende aspecten op elkaar afstemmen. Daarin zit de creativiteit.

We trekken het zelfs door naar de uitvoerders, we vragen altijd waar ze goed in zijn. Aannemers willen liever horen wat ze moeten doen, dan zoeken ze daarna wel uit hoe.” Met alle wetten en regels waaraan WORM moest voldoen was dat natuurlijk een ultieme uitdaging. Ook de kleinbehuisde schoenenzaak Duchi in Scheveningen haalde het beste uit hen naar boven. De “magazijnplanken” in de winkel zelf zijn van een restpartij autoruiten, net als de stellingen in de etalage en klanten kunnen de schoenen uitproberen op een in de vloer gebouwde de lopende band van een supermarkt.

Ruimtestation

Zelf noemt 2012 zijn werkwijze procesarchitectuur, het ontwerp is een fase in een continue stroom van creatie en recreatie. Vaak begint het met een ruwe schets en wordt pas achteraf een gedetailleerde tekening gemaakt. Zo ook bij het Miele Ruimte Station. Wasmachines, altijd in grote hoeveelheden beschikbaar, waren het uitgangspunt. “Toen we de machines hadden verzameld, bleken de maten te verschillen”, aldus Jongert. “De constructie die we aanvankelijk hadden bedacht, moest aangepast worden.”

Besloten werd modules te maken van apparaten met dezelfde maat, met de fronten aan de buitenkant, waarbij de glazen deurtjes (ook inzetbaar als wastafel en groenteschaal) als ramen dienden. “De modules bleken gemakkelijk te transporteren, want ze passen door een deuropening en kunnen door twee man gedragen worden.” Onbedoeld bleek het gevaarte op een object uit een sciencefictionfilm te lijken. “Als dat eenmaal opvalt, ga je de details er natuurlijk op afstemmen.”

2012 architecten superuseWasmachines

Inmiddels heeft het station in verschillende hoedanigheden gediend als caravan, restaurant, expositieruimte en podium voor een band. De wastrommels dienen als opslagruimte, zonnepanelen leveren stroom. Op de Technische Universiteit Delft, waar de architecten zelf studeerden en Jan Jongert gastdocent is, heeft het als espressobar Sterk zijn laatste rustplaats gekregen.

“Het Miele Ruimte Station was gelukt toen mensen zeiden: hé, dat lijken wel wasmachines. Of als ze gingen vragen of het niet heel duur was om die platen allemaal zo bijzonder te laten profileren. Als de vorige functie of misschien een vorige gebruiker er doorheen schijnt, krijgt het een diepere schoonheid. Dat is het verschil met nieuw materiaal. Dat is eendimensionaal, gemaakt waarvoor het bedoeld is. Niets meer, niets minder.”

Een ander aspect van schoonheid is de schaal. “De lelijkste dingen worden mooi als je er de juiste schaal voor vindt, door stapeling of herhaling. Een goed voorbeeld is het kunststof kozijn, daar zijn hele steden mee verpest. Bij het project OpTrek in Den Haag hebben we samen met Denis Oudendijk een daglichterker gemaakt van kunststofkozijnen. Die komen ook in de gevels van de huizen in de straat terug. De erker ging daarmee een relatie aan, dus die lelijkheid begon iets met zichzelf te doen.” Toch ziet Jongert vooral schoonheid in ambachtelijk gemaakte producten.

Villa Welpeloo

De grens aan wat wel en niet gebruikt wordt, ligt niet vast. “Natuurlijk zijn er wel materialen niet gebruikt omdat het er gewoon niet goed uitzag.” Bij het ontwikkelen van Villa Welpeloo in het Enschedese Roombeek kwam de aannemer met het idee grafstenen van geruimde graven te gebruiken. “Hartstikke mooie stenen als je de bovenlaag er afzaagt. Toch had ik niet meteen zoiets van: jottum, daar gaan we een vloer van leggen. Zeker niet in een woonhuis.”

Een van de eerste ideeën was het gebruik van spoorbielzen als constructieve gevel. Doordat we er na onderzoek achter kwamen dat deze bielzen chemisch licht verontreinigd zijn, besloten we deze niet voor een woning te toepassen. Voor een installatie buiten zijn ze prima te gebruiken. De overblijfselen van de vuurwerkramp waren al opgeruimd toen het bureau er materialen ging verzamelen, dus de afweging of ze daarvan gebruik zouden maken of niet bleef ze bespaard. “Het komt wat dicht tegen het historische aan te zitten, dat maakt het meteen zo beladen. Met ruïnes zou ik wel willen werken.”

Mooi bijverschijnsel van het gebruik van lokale middelen is dat er daardoor kenmerkende elementen van een streek in terugkomen. Jongert: “Zoals de huizen vroeger in bepaalde gebieden uit gele bakstenen werden opgebouwd en ergens anders uit rode, al naar gelang de kleur van de klei in zo’n gebied.”

Oud staal

Rond Enschede is veel bewaard gebleven van de vroegere textielindustrie. “Een bedrijf heeft allerlei dingen uit die tijd opgekocht en verkoopt het als oud staal. Bijna een museum, met 18e-eeuwse weefmachientjes en grote industriële machines. Een daarvan hebben we gekocht, laten zandstralen en schilderen. Daar is de hele staalconstructie van Villa Welpelo van gemaakt.” Hoewel dat staal wel de uiteindelijke vorm beïnvloedt, is het aan de buitenkant niet zichtbaar. “Uiterlijk verschilt het niet direct van andere moderne villa’s. Je ziet niet dat het van afval is gemaakt.”

Jongert zou niet gauw een kleinere machine ter decoratie neerzetten: het moet wel functioneel zijn. “We proberen meer naar de grote schaal van het bouwwerk te kijken.”

Nog grootschaligere projecten liggen in het verschiet. “Voor de gemeente Apeldoorn onderzoeken we hoe je elementen van sloopflats kunt gebruiken voor geluidswallen en eventueel ook nieuw te bouwen woningen. Voor Senter Novem doen we studie naar twee sloopwijken waar we flats renoveren met lokaal afvalmateriaal. Die flats worden gestript en wij proberen ze energiezuiniger te maken en beter af te stemmen op deze tijd. Het duurt nog wel een jaar of vijf voordat een dergelijk project in uitvoering kan, denk ik.”

De toekomst zal uitwijzen of de hemelbestormende vervolgplannen van WORM en 2012 voor de ontwikkeling van het gebied rond het VOC-gebouw worden gerealiseerd. Wij hopen van wel.

Superuse. Creating new architecture by shortcutting material flows. Ed van Hinte, Jan Jongert, Césare Peeren.

Naar boven