De Goede Vissers: “Wij geloven in kleinschalige visserij en natuurbouw op de Wadden”

Met een tomeloze energie vechten Jan en Barbara Geertsema aka De Goede Vissers voor een duurzame kustvisserij. Groot obstakel is dat vissers geen cent extra krijgen voor hun inspanningen. En in plaats van open te staan voor de mogelijkheden van visserij in combinatie met ecologisch beheer, perkt de overheid de visgebieden op de Wadden steeds meer in. “De consument is er klaar voor, maar het systeem niet.”

“Ga je voor het geld of wil je integer vissen”, daar draait het volgens Jan Geertsema van de Goede Vissers om. “Als ik ga ‘roven’, dan heb ik in een jaar een nieuwe Mercedes bij elkaar gevist. Maar alle lieve ondermaatse zeebaarzen die ik in een net met kleinere mazen vang, zo’n 16.000 ton per jaar, moet ik dan dood teruggooien in zee. Dat is wat bijna iedereen doet.” Niks voor hem en zijn vrouw Barbara. Zij kiezen voor een ambachtelijke manier van vissen, met een staandwant en grote mazen. Een groot deel van hun inkomsten zwemt dus door de mazen van het net. Maar de jonge dieren kunnen zich vervolgens wel voortplanten.

In ondiep water dobberen en urenlang turen, of jagen is het eigenlijk, totdat een school vissen wordt gespot. Met de rubberboot eropaf gaan, proberen zo snel mogelijk de school in te sluiten met het net en dan, één voor één, de vissen uit de netten halen. De eeuwenoude viswijze van Jan en Barbara is prachtig geportretteerd in de documentaire Goede Vissers (Michiel Zwaanswijk, Pepijn Kortbeek, 2009), komende maand op het Nederlands Film Festival te zien. Met de woeste methoden van de grootschalige visvangst op het netvlies is dit bijna intiem. Hopelijk is het een eye-opener voor collegavissers en consumenten. De film toont dat verantwoord opereren op de Wadden mogelijk is.

Waddengoud

Idioot genoeg is hun met een lage milieu-impact gevangen harder en zeebaars niet meer waard. De hele vangst verdween aanvankelijk gewoon op de grote hoop. Ook nadat zij als eerste Nederlandse vissersbedrijf een duurzaamheidskeurmerk voor wilde vis kregen van Stichting Waddengoud. “De vis verdween nog steeds anoniem de exportindustrie in”, vertelt Barbara. “De handel pakte het niet op, dus gingen we zelf aan de slag. We dachten: liefde gaat door de mond. Als we van het Nederlandse volk steun willen voor onze visserij, dan moeten we ervoor zorgen dat ze de producten uit de Waddenzee lekker vinden en waarderen.”

Uit een gevoel van urgentie ontstond de organisatie Goede Vissers, bedoeld om de vangst van henzelf en collega’s direct aan de klant te verkopen. Dat bestaat naast de site www.goedevissers.nl uit de viskraam waarmee het stel op de Amsterdamse Noordermarkt staat. Hun tactiek blijkt succesvol. Het publiek reageert enthousiast op hun producten en hun pleidooi voor kleinschalige Waddenvisserij. Plus, steeds meer vissers sluiten zich bij hen aan. Uiteindelijk moet Goede Vissers een zelfstandige, coöperatieve verkooporganisatie worden. “Als we procesgeld krijgen om een professionele organisatie op te zetten, zullen zich meer vissers aanmelden”, verwacht Barbara.

Goed voorstelbaar als je bedenkt dat via de afslag nog steeds geen cent extra wordt betaald als een visser bijvoorbeeld met grotere mazen vist. Via Goede Vissers krijgen ze wel een fatsoenlijke meerprijs. Jan en Barbara steken daar nu zoveel energie in dat het hun financieel weinig oplevert. Dat geldt ook voor hun producten in de natuurwinkels; handelsbedrijf Odin betrekt hun vis bij de afslag.

Bulkprijzen

“Net als het Marine Stewardship Council genereert Odin wel meerwaarde voor de gecertificeerd duurzame vis in de keten, maar dat komt meestal niet ten goede aan de vissers”, formuleert Barbara diplomatiek. “Het is fijn dat onze vis in de natuurvoedingswinkels ligt, zo is het bereikbaar voor consumenten en wordt draagvlak voor een duurzame visserij gecreëerd. Maar als je de visserij wilt verduurzamen, dan moet je vissers niet voor bulkprijzen laten produceren.”

De lage betaling is extra vreemd gezien hoe groot de vraag naar “duurzame” vis tegenwoordig is. Zelfs veel supermarkten hebben het in hun assortiment. Ondertussen wordt de duurzame kleinschalige visserij in eigen land nauwelijks gestimuleerd en soms zelfs tegengewerkt. Iets waar de Geertsema’s steeds tegenaan lopen.

Hun filosofie is dat je uit een vruchtbaar natuurgebied als de Waddenzee prachtige producten kunt oogsten en tegelijkertijd een grotere biodiversiteit kunt creëren. “Natuurmonumenten doet voortdurend aan natuurbouw”, zegt Jan. “Wil je het in de Waddenzee, dan is het plotseling crimineel.” Bovendien: voedsel en grondstoffen zijn hoe dan ook nodig. Dus waarom niet uit het Wad, vraagt Barbara zich af. “Maar bij beleidsmakers en natuurbeschermers ontbreekt de wil om daar echt wat mee te doen. Ze zetten er liever een hek omheen en eten vis van onbekende herkomst met een wie weet hoe grote milieuschade. Als het maar niet uit onze Waddenzee komt, want die is heilig.”

Doodgeknepen

Jan haalt het verbod van de mechanische kokkelvisserij aan. De sector kreeg hiervoor een aanzienlijke genoegdoening van de Nederlandse regering. Een deel van dat geld is gebruikt voor investeringen in mechanische schelpdiervisserij nabij een belangrijk natuurgebied in Mauritanië. “Waarom is dat niet ingezet voor duurzame alternatieven in onze eigen zeewateren?”

Hun ervaring is dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij zich vooral op de grootschalige visvangst richt, zoals op de mosselvloot. Die wordt geholpen te verduurzamen en krijgt toestemming om grote installaties voor het invangen van mosselzaad op het Wad te plaatsen. Vreemd dat zij wel toestemming krijgen, terwijl de kleinschalige visserij in steeds meer gebieden niet mag komen. “De hengelaars willen ons van de stranden weren en veel plekken langs de eilanden en de kuststroken zijn afgesloten of aan natuurorganisaties overgedragen. We worden bijna doodgeknepen.” Terwijl ze door consumenten juist worden doodgeknuffeld.

Het echtpaar ziet dan ook genoeg perspectief voor de kleinschalige visserij. “Als de ambtelijke wil er maar zou zijn. De natuur is zich aan het herstellen van de door de Afsluitdijk aangerichte ravage. De ansjovis komt bijvoorbeeld langzaam weer vaker voor. Visbestanden veranderen, kleinere bedrijven zouden daar flexibeler op moeten kunnen reageren.”

Exoot

Ideeën te over, alleen mist de toestemming ze uit te voeren. “Je mag wel het palingbestand leegvissen, maar je mag geen nieuwe activiteiten ontplooien”, zucht Barbara. “We zijn vrijwillig met de palingvisserij gestopt, omdat het niet goed gaat met die soort. Terwijl je daarmee een paar maanden per jaar goed kunt verdienen. Als alternatief proberen we al tien jaar om Japanse oesters te mogen rapen. Tien jaar! Nu mag het alleen op heel kleine schaal.”

Des te zuurder omdat die Japanse oesters de mossel en de kokkel verdrukken. Jan: “We hebben op de Waddenzee grote vogelkolonies die mossels en kokkels eten. Heel zeldzaam en we raken ze kwijt als die Japanse oester blijft oprukken. Maar, we mogen die oesters niet opeten.”

Vissen op Amerikaanse scheermesjes, ook zo’n exoot die een voedselconcurrent is van kokkels en mossels, werd hen verboden. “We hebben er twee jaar op gevist. Eerst zetten we de grond onder stroom om ze eruit te krijgen. Nu graven grote schepen op de Noordzee sleuven in de bodem om ze met grond en al omhoog te halen. Dat levert toch veel meer ecologische schade!”

Naar boven