Ibrahim Ferrer schenkt goeie rum

In Buena Vista Social Club (1999) registreert Wim Wenders een aandoenlijk ritueel: Ibrahim Ferrer voorziet een beeldje van de heilige Lazarus van verse rum, merengues en parfum. Dat Ferrer ook zijn gasten graag op een glaasje rum trakteert, ondervond een Nederlandse filmploeg van Loladamusica.

Cameraman Michel Langenberg herinnert zich Ibrahim Ferrer als een goedgeluimde man. ‘Een ouwe taaie.’ Nog voor Wim Wenders is hij met onder anderen regisseur Paul Hegeman in Cuba om de documentaire De helden zijn weer thuis (1998) te schieten. Ook Ibrahim Ferrer wordt geïnterviewd.

De oude baas verhaalt hierin over het moment waarop bandleider Juan De Marcos Gonzales hem komt halen om met andere oudgedienden, ‘super-abuelos’, super-opa’s, zoals ze nu in Cuba genoemd worden, de plaat Buena Vista Social Club op te nemen.

Castro

Ferrer zit onder de schoensmeer en olie: hij is tegelijk schoenen aan het poetsen en aan zijn bouwvallige motor aan het sleutelen. Zijn aanvankelijke scepsis (hij was behoorlijk teleurgesteld in de muziekindustrie) verdween als sneeuw voor de zon toen hem vijftig dollar in het vooruitzicht werd gesteld, zo vertelt Ferrer lachend.

Wat niet is te zien, is dat het wat duistere huis barstens vol staat met dozen. ‘Ze zouden de volgende dag verhuizen naar een woning die ze van Fidel Castro hadden gekregen. Als blijk van waardering voor de promotie van Cuba’, vertelt Langenberg. ‘Ze woonden echt op een piepkleine etage met een veel te grote familie: zijn kinderen en kleinkinderen woonden er ook. We waren uitgenodigd om te vieren dat ze naar een beter huis gingen. De flessen rum kwamen op tafel, de muziek ging aan en buiten regende het. Wat een warme, gastvrije mensen.’

Bolero

Ferrers vrouw draait in de film een plaatje waarop de jonge Ferrer Una Fuerza Immensa zingt, een bolero die hij ook nu nog in zijn repertoire heeft. Op zijn eega’s aansporing mee te zingen, antwoordt hij bescheiden: ‘Zo kunnen ze het veel beter horen.’ In zijn jonge jaren schijnen de reacties op zijn zang niet onverdeeld positief te zijn geweest. Inmiddels is iedereen het er over eens: deze man heeft een fluwelen stem en wordt hij over de gehele wereld op handen gedragen.

Als je dat bedenkt is het des te vreemder dat Ferrer in het buitenland in de mooiste hotels logeert en dan in zo’n klein, donker huis woont. ‘Een beetje een stereotype arm gezin’, zo omschrijft Langenberg het. ‘Ze hebben in Cuba niet veel, maar wat ze wel hebben is de muziek. Dat is zo ontzettend belangrijk voor ze. Iedereen die een trommel of gitaar in handen krijgt, leert al vroeg hem te bespelen. Dat brengt de mensen tot elkaar. Die oude muziek is zo Cubaans eigen. Ze worden weinig beïnvloed door de mensen van buiten.’

Foto

Andere Cubanen vroegen de Hollanders wel spullen voor hen te kopen in de dollarwinkels die er in ieder geval toen waren. ‘In die winkels is van alles te koop, maar Cubanen mogen daar niet naar binnen. Iedereen is op zoek naar dollars, er is een hele dubbele economie. Toen mocht een Cubaan officieel geen dollars hebben.’

Over dat soort zaken heeft hij het met Ferrer niet gehad. ‘Ik spreek redelijk Spaans, maar de Cubanen zijn heel moeilijk te verstaan: ze slikken de s in en rijgen de woorden aan elkaar. Na een paar glaasjes rum maakt dat ook niet meer uit, je laat elkaar met steekwoorden blijken dat het gezellig is. Van diepzinnige gesprekken over de cultuur, de economie en het sociale stelsel is het niet gekomen.’

In Langenbergs gang hangt nog een foto. ‘Van mij en Ibrahim en een van zijn kleindochtertjes. Ik heb er heel warme herinneringen aan.’

Naar boven