Peter Struycken: “Zonder abstractie kan ik niet leven”

Al meer dan veertig jaar is kunstenaar Peter Struycken (1939) gefascineerd door kleur. Bezeten zou je zeggen als hij niet zo grondig en bedachtzaam werkte en zijn inzichten naar zulke abstracte voorstellenvertaalde. Zijn passie wordt gevoed door de ontdekkingen dat kleur in slechts twee toestanden bestaat overeenkomst en verschil –  en vorm het gevolg is van kleurverschil.

Zou het gebied dat de kleurwaarneming regelt in de hersenpan van Peter Struycken abnormaal sterk zijn ontwikkeld? Hij zou het dolgraag willen weten, zoals hij over alles graag het naadje van de kous weet. Geïntrigeerd door het stralende groen van weilanden, iedere grasspriet een wonder op zich, nam hij bijvoorbeeld eens een kluit mee naar huis en mengde de kleur na. Wat bleek: het is die van grauwe snert.

De bijzondere helderheid komt blijkbaar door de transparantie en de reflectie van al die sprietjes op elkaar. Ter controle gooide hij nog wat erwtensoepkleurige vellen papier in het gras en inderdaad: ze losten op. Ieder antwoord of nieuw inzicht roept weer nieuwe vragen op, en zo werkt de veelzijdige kunstenaar al ruim veertig jaar dagelijks met het fenomeen kleur, in real time en in bevrozen vorm, in het platte vlak en in 3D.

Onbegrensd

Gedreven door dit soort revelaties probeert Struycken de wereld voortdurend te deconstrueren en te doorzien. “Malen over dingen die je niet begrijpt en proberen daar je vinger achter te krijgen”, formuleert hij als altijd zorgvuldig vanuit zijn atelierwoning in Gorinchem. De wanden van zijn eetkamer zijn opgedeeld in kleurvlakken, net als het tapijt op de vloer. In de woonkamer hangt een van zijn zinderende wandkleden. Een beeldend kunstwerk is in zijn ogen een voorstel. “Een opvatting over hoe ik iets zie.”

Bepaald door persoonlijke, maar in zijn geval ook rationele beslissingen, want al heel vroeg koos hij ervoor wetmatigheden tussen vorm en kleur (later verandering en kleur) op systematische wijze vast te leggen. Sinds 1969 maakt hij hierbij gebruik van de computer als hulpmiddel. De inzichten die aan een werk ten grondslag liggen, komen niet per se voort uit waarneming. “Mijn belangrijkste voorstellen, zoals de onbegrensde kleurveranderingen in ruimte en in tijd, zijn meer op denkbeelden of wensen gebaseerd.”

Instabiliteit

Parkeerplaats onder de Mandelabrug, Arnhem, 1972

Opvallend is het grote aantal onderzoekers, theoretici, filosofen en (kunst)historici dat Struycken tijdens het interview aanhaalt. In zijn indrukwekkende bibliografie beschrijft hij niet alleen zijn eigen kunstopvatting en meer specifiek werken, hij is ook een begenadigd waarnemer en interpretator van andermans werk en opvattingen. Zijn grootste tekstuele wapenfeit, Aristoteles, Over kleuren (in samenwerking met Rein Ferwerda), gaat over de manier waarop kleurmengsels uit de Griekse oudheid moeten worden geïnterpreteerd, terwijl ze in de Renaissance als “onbegrijpelijk” waren gekwalificeerd.

Zijn studeerkamer puilt uit van de geschriften. “Mijn interesse in opvattingen, vooral over kleur, wordt sterk ingegeven door mijn bewondering voor een origineel standpunt of denkbeeld. Daarnaast interesseert het me hoe invloedrijk hardnekkige misverstanden kunnen zijn. Ik zoek net zo lang tot ik de oorsprong van zo’n denkbeeld heb achterhaald en probeer vervolgens te begrijpen waarom het navolging heeft gehad.”

Zo vond hij het een “kanjer van een gedachte” dat iemand opeens, terwijl kleuren altijd een symbolische waarde werd toegedicht, een werking op de ziel aan kleur toekende. Filosoof en dichter Goethe beschreef dit als eerste in zijn beroemde boek Zur Farbenlehre (1810). “Wat me ongelofelijk interesseert is dat iedereen opeens zei dat groen rustgevend is en rood opwindend, zonder zich af te vragen of ze dat zelf zo ervaren.”

Van Gogh

Wie dat wel deed was Vincent van Gogh. In brieven aan zijn broer Theo beschreef hij wat hij aan kleur beleefde en wat hij met de kleuren in zijn werken beoogde. “Dat was revolutionair. Hij formuleerde zijn hyperindividuele kleurbeleving. Dat had grote invloed op de expressionisten en daarmee indirect nog steeds op de opvattingen over schilderkunst: de schilder moest als seismograaf van zijn gevoelens zijn innerlijke leven onmiddellijk op het doek weergeven.”

Hoe diep het Goethiaans effect op de psyche in onze cultuur zit ingebakken, ervaart Struycken regelmatig in zijn werk. De Rotterdamse gevangenis De Schie (1986-1989), waar de cellen in door Struycken gekozen verzadigde kleuren waren geschilderd, hield aanvankelijk bij welke gevangene in welke kleur cel zat. Er werd echter geen enkele correlatie tussen kleur en gedrag gevonden. “Mijn conclusie is dat er een werking is, want volgens de directeur kankerden de gevangen overal op behalve daarop. Die werking is alleen veel gecompliceerder dan we nu kunnen doorzien.”

De reden voor het kleurgebruik was overigens simpelweg dat architect Carel Weeber, met wie Struycken veel samenwerkte, dacht dat de in meerderheid uit warmere oorden afkomstige gedetineerden de exotische kleuren zouden waarderen. Inmiddels zijn alle cellen weer wit geschilderd.

Kleurbeeld

Onlangs, bij zijn ontwerp van een kleurenpalet voor het nieuw gebouwde Martini Ziekenhuis in Groningen, bleek dat men zich direct afvroeg wat de invloed daarvan op de genezing van de patiënt zou zijn. “Het is al gauw grote stappen gauw thuis.” Niet dat hij niet wil weten of van een samenhangend kleurbeeld een positieve werking uitgaat. “Dan zou ik fantastisch vinden.” Maar het moet goed onderzocht worden. “Het enige dat ik kan garanderen is dat er door mijn werkwijze een visuele samenhang tussen de kleuren is. Dat vind ik al een enorme kwaliteit.”

Kleur bestaat uit drie dimensies: sterk-zwak, licht-donker en de verschillende kleurtonen. Struycken verdeelt die dimensies zo gelijk mogelijk, waardoor de kleurverschillen in feite zo groot mogelijk worden. Van de healing environment waarnaar het ziekenhuis streeft, houdt Struycken zich afzijdig. “Mijn hart draait om bij de bewering dat kleuren daaraan bijdragen zonder deugdelijk onderzoek.”

Betegeling particulier zwembad Bentveld, 1999-2000. Foto Carel Struycken

Zijn passie voor kleur stamt van begin jaren zestig, de tijd dat hij net van de Haagse kunstacademie kwam. “Ik kocht toen een peperduur, vrij technisch overzicht over de productie van kleuren, Color in Business, Science, and Industry. In laboratoria kan ze bij standaardomstandigheden worden gemeten, daarbuiten is kleur vrij”, vertelt hij met een glinstering in zijn ogen. “Dat is het fantastische van kleur: zij verandert voortdurend, zowel op de lange als op de korte termijn. Je leeft ermee, communiceert ermee, gebruikt het en toch is er geen manier om het vast te leggen. Ik kwam er pas vrij laat achter dat het die ongrijpbaarheid en instabiliteit is die me zo fascineert.”

Ondergeschikt

Net als hij pas na enige tijd inzag dat er maar twee toestanden zijn waarin kleur bestaat, namelijk overeenkomst en verschil. “Dat spreekt me heel erg aan: dat je niet verder komt. Al die gewaarwordingen en schitterende dingen in de wereld zijn terug te brengen tot zoiets banaals als geleidelijke of abrupte kleurovergangen. Geestig, vind ik dat.” Eind jaren tachtig had hij het inzicht dat de scheiding tussen vorm en kleur die nog steeds wordt onderwezen eigenlijk niet klopt. “Vorm is het gevolg van kleurverschil en dat gaat in alle gevallen op. Een heel bevredigende ontdekking. Het gaf een soort rust.” Jaren later ontdekte hij dat de schilder John Ruskin al in 1857 in The Elements of Drawing het ontstaan van vormindruk uit kleurverschil had beschreven. “Nota bene een leerboek voor aankomende kunstenaars!”

Zijn werk veranderde door dit inzicht. Begin jaren zeventig fungeerde vorm nog als drager van kleur, iets dat kleuren zichtbaar maakt. “Daarna waren vormen altijd automatisch het gevolg van kleurverschillen. In de computerprogramma’s die ik gebruik, gaat het alleen nog over plaats en kleur. In tekeningen heb ik vorm letterlijk gereduceerd tot een punt. Met minder dan dat kun je niet en het is meteen het meest onbeduidende wat er is.”

Beatrix

Postzegel 1980, collectie Groninger Museum

Vanuit dat denkbeeld had hij al eerder de beroemde postzegels van Beatrix (1980) ontworpen. Haar portret is volledig opgebouwd uit (betekenisloze) punten. Dat contrasteert met de vele betekenissen die het staatshoofd voor onze bevolking heeft. Bij uitzondering een herkenbare afbeelding dus, want juist dat heeft Struycken op vorm in zijn algemeenheid tegen. Het roept te gauw associaties op met de werkelijkheid en werkt daardoor begripsmatig.

Het liefst wil Struycken alleen met kleur bezig zijn. “Toch moet je vorm hebben om het zichtbaar te maken. Dat werkt net als een zandje in je oog; je voelt het altijd. Het heeft wel iets geestigs dat je je altijd moet bedienen van hulpmiddelen, ook al doe je liever zonder, om dat waarom het je gaat over te dragen. Ondertussen is vorm als hulpmiddel visueel zo ontzettend pregnant, dat je heel wat moet doen om het weer ondergeschikt te maken. Dat is een vervolgopdracht geworden.”

De geweven werken waaraan hij sinds eind jaren tachtig werkt, bleken daartoe heel geschikt. “Weven is het combineren van draadjes en een draadje is hartstikke dun: 0,2 millimeter. De kleinste eenheid waarin je kleuren kunt mengen is 2 bij 2 millimeter. Daarin zitten al acht draden die je bijna met een loep moet bekijken om ze te zien. Het aantrekkelijke is bovendien dat je afhankelijk van de afstand waarop je staat allerlei kleurveranderingen krijgt. Echt een kleursensatie, je ziet iets gebeuren.”

Hans den Hartog Jager schrijft over de tentoonstelling Entoptische waarneming, met op Pierre Boulez’ compositie …Explosante-Fixe… geïnspireerde wandkleden: “Voor je ogen laat Struycken het kleurheelal in atomen uiteen vallen” (NRC, 07-10-2005).

Solotentoonstelling

Zijn nieuwste werk, speciaal voor zijn komende solotentoonstelling in het Groninger Museum gemaakt, is een ook op …Explosante-Fixe… geïnspireerde installatie met vijf schermen die net zo schots en scheef in het Coop Himmelblau paviljoen komen te hangen als daar de architectuur is. “De muziek van Boulez is heel ruimtelijk, ik wilde die ervaring in een architectonische vorm toepassen. Als je, terugkomend op Goethe, bij kleurwaarneming wilt weten waar je eigen emotie begint, dan is dat bij mij lichamelijkheid. Vroeger heb ik schilderijen wel heel groot gemaakt, omdat het voor de kleurervaring een verschil maakt of je een klein plaatje bekijkt of dat je er in kunt stappen. Er wordt iets anders in je aangesproken wanneer je je lichamelijk betrokken voelt. Waardoor dat precies komt, dat is een interessant mysterie.”

Speciaal voor deze tentoonstelling fotografeerde Carel Struycken, de boomlange acteur van onder meer The Adams Family en Twin Peaks, monumentaal werk van zijn broer. Normaliter maakt hij panoramafoto’s van met name Amerikaanse landmarks die een blijvende indruk op hem maakten. Ondanks dat beide broers het artistieke pad bewandelen, werd liefde voor kunst en muziek in huize Struycken eigenlijk niet gestimuleerd. Peter Struycken kwam ermee in aanraking op kostschool. Vanaf zijn elfde begon hij serieus naar de natuur te kijken en te tekenen. Zijn eerste liefde: Max Beckmann. “Inderdaad heel heftig voor iemand van die leeftijd.”

Boulez

In de bij de tentoonstelling verschijnende monografie wordt gedetailleerd ingegaan op de technische en technologisch processen achter Struyckens werk. Hierin wordt duidelijk welke belangrijke rol sinussen hierin spelen. Met sinussen kunnen kleurstructuren worden bedacht (en met de computer berekend) die zich zowel in ruimte als in tijd onbegrensd voortzetten. “Een wonderlijke coïncidentie is dat mijn grootvader, kno- en oogarts, veel apparatuur heeft uitgevonden om gehoorsterkte te meten en daarvoor ook zuivere sinustonen nodig had.”

Waar Struycken aanvankelijk zijn programma’s zelf nog schreef, al dan niet met hulp van anderen, werkt hij nu met een door ingenieur Daniel Dekkers ontworpen overkoepelende toolbox. “Een formidabel gereedschap dat voor alle soorten ontwerpwerkzaamheden gebruikt kan worden, zowel voor werken in de driedimensionale ruimte als in tijd. Ik kan moeiteloos iedere figuratie in de tijd sturen en onmiddellijk zichtbaar krijgen. Met Boulez kan ik nu vanuit dynamische principes met bewegende beelden op muziek werken.”

In de jaren zeventig maakte hij programma’s voor beeldveranderingen die vanwege de traagheid van computers niet in “real time” konden worden gedraaid. “Om die veranderingen toch zichtbaar te maken, berekende en fotografeerde ik beelden die in tijd een stuk uit elkaar lagen. Zo ontstond toch een indruk van de veranderingen.”

Zwermvogels

Dat hij vanaf het begin geïnteresseerd was in beweging en verandering, bleek een voordeel toen de computers sneller en sneller werden. “Eigenlijk zit ik altijd tegen de rand van de technologische ontwikkelingen aan, doordat de natuur mijn grootste inspiratiebron is.” Een voorbeeld: het gedrag van zwermvogels, dat natuurlijk uit patronen bestaat. “Geen programma kan die bewegingen nog nabootsen. Het aantal elementen dat je nodig hebt om die verdichtingen, verdunningen en turbulentie te berekenen, is nog te groot.

Ook bijzonder in de natuur is dat alles op iedere afstand weer nieuwe kleurinformatie heeft. Een blaadje lijkt van afstand groen, dichterbij gekomen verandert dat groen en van heel dichtbij zie je nerven die weer anders zijn van kleur. Zo gaat het door, tot op de nog waarneembare pigmentcellen. Die nuancering is bijna onbeperkt groot. Het is een kanjer van een inspiratiebron, de natuur.”

Waarom heeft iemand die zo volledig en grondig waarneemt de behoefte alles terug te brengen tot abstracties? “Een abstracte wereld is hartstikke lekker! Geen details waarmee je je bezig moet houden. Zonder abstractie kan ik niet leven”, zegt hij stellig. “Ik heb niets met incidenten. Het moet raken aan een patroon, iets meer algemeens.”

T/m 2 september Collectie depot VBVR: Peter Struycken in Rijksmuseum Twenthe, Enschede.
Van 23 september tot 2 december P. Struycken in Groninger Museum, Groningen.

Naar boven