Ruud van der Peijl: Glamour en trash

Rude/ Portraits of State is de eerste fototentoonstelling van Ruud van der Peijl. Als stylist drukte de artistieke duizendpoot (zelf vindt hij die benaming overdreven) altijd al een sterk stempel op het eindproduct. Na jaren náást de lens bepaalt hij nu zelf welke momenten worden vereeuwigd en welke niet.

Hij heeft het imago van een rebel, maar Ruud van der Peijl heeft absoluut niet meer de behoefte dingen te veranderen of ergens tegenaan te trappen. ‘Als ik iets doe, doe ik het wel op mijn manier. Misschien wordt dat als rebels opgevat, maar zo is het niet bedoeld.’ Zijn voornemen bij de opening van Rude/ Portraits of State in het Gemeentemuseum Den Haag Hello Hooray van Alice Cooper te zingen is een mooie illustratie van wat dat inhoudt; zijn manier. Met glimmende ogen citeert hij een regel: “I’ve been waiting so long to sing my song”. Hij had ooit op zijn CITO-toets geschreven dat hij later zanger van een beatband wilde worden, zo zou het er toch eindelijk eens van komen. ‘Ik kan het gebruikelijke zeggen: iedereen bedankt, die en die wil ik met name bedanken. Maar ik kan het ook op mijn eigen manier doen.’

Het is hem door intimi afgeraden. Uit zijn ‘we zien wel’ blijkt dat het plan nog niet definitief naar de prullenbak is verwezen. Op de vraag of hij wel kan zingen, vertelt hij in de RoXY wel eens over Madonna de Nederlandse vertaling heen te hebben “gezongen”. ‘Bedtime Stories bijvoorbeeld: “Ik ben altijd een eenzame jager geweest”. Dat was lachen. Ik heb wel gevoel voor timing en drama. Ik ga niet af.’

Stylist pur sang


Zanger is Van der Peijl niet geworden, en ook geen acteur, het tweede wensberoep op zijn lijstje. Nadat hij tot ieders verbazing en eigen afgrijzen werd afgewezen voor de toneelacademie solliciteerde hij op de functie moderedacteur bij Avenue. Als jongeling liep hij al rond in roze pakken en lange jassen, dus mode interesseerde hem altijd al. Hij werd, natúúrlijk zegt hij nu, afgewezen.

Toch belde hij om te vragen waarom. Zo kwam hij achter het bestaan van de afdeling mode op de Kunstacademie. ‘Daar had ik nooit van gehoord. Thuis waren we niet zo bekend met creativiteit. Mijn vader was autohandelaar en had een garage.’ Met wat tekeningen van de hond en zijn moeder en een inderhaast in elkaar geflanst Viva-patroon – ‘die waren altijd gemakkelijk’ – werd hij aangenomen op de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht.

Hoewel hij direct na zijn opleiding met een paar medestudenten het internationaal gewaardeerde modemerk Gletcher oprichtte, was het ontwerpen zelf eigenlijk nooit zijn ding. ‘Eigenlijk ging het al snel na de academie in de richting van beeld. Het kon me niet boeien waar de zakken moesten zitten. Ik deed bij Gletcher meer de grote lijnen, publiciteit en fotografie dan dat ik me bezighield met belijning en detaillering. Ik ben een stylist pur sang, maar dat was geen discipline die serieus genomen werd.’ Als het bedrijf aan zijn eigen succes ten ondergaat, werkt hij een paar jaar als ‘voltijd lesboer’ op verschillende kunstacademies en rolt dan alsnog de styling in.

RoXY

Een van zijn eerste schreden op dat pad is het remixen van een tentoonstelling van Gerald van der Kaap en Henk Tas, KAAP / TAS (1994). De opening gaat gepaard met enig uiterlijk vertoon; hij heeft de kunstenaars groen geschminkt en draait Life on Mars van David Bowie. Er loopt ook een vrouwelijke Elvis rond. ‘Dat was leuk, want openingen in de kunstwereld zijn vrij saai.’ Toch was het niet bedoeld als statement, het stoort hem niet als zo’n opening wat ingetogen is. ‘Ik kom er om de kunst te zien of te netwerken, zoals dat oneerbiedig heet. En voor de gratis drank, ook niet onbelangrijk.’ Grinnikt. ‘Ach, alles wat codes heeft en daarin verstrikt raakt, is saai.’

Kort daarvoor deed hij styling voor Chill Cave (1993) van Peter Giele en Van der Kaap en jarenlang voor Love Ball in de RoXY. Ook nu nog werkt hij samen met kunstenaars die hij uit die scene kent. Uitgaansleven en werk vloeien tot op zekere hoogte in elkaar over, zoals ook op de fototentoonstelling te zien is.

Opvallend is dat kleding ook in die periode al secundair is voor Van der Peijl, iets wat ook in de huidige tentoonstelling terug te vinden is. ‘Ik wilde altijd in de eerste plaats een statement over een tijd of bepaalde manier van leven laten zien. Het eerste idee voor Blvd., Generation Sex uit 1996, ging bijvoorbeeld over de angst voor aids en de behoefte seksueel actief te zijn. Fotograaf Cornelie Tollens en ik lieten mensen zien die elkaar zoenen met een glasplaat ertussen, of een jongen die een televisiescherm zoent waarop de mond van Debbie Harry uit de film Videodrome van David Cronenberg te zien is.

ruud van der peijl golden boyBondage

‘Wat er gebeurt, dat vind ik belangrijk. Natuurlijk is de kleding dat ook, maar foto’s van een mooi meisje dat staat te lachen in een haag of een studio vind ik niet zo interessant. Nu wordt ook precies verteld welke merken en adverteerders je moet gebruiken. Dat is niets voor mij.’

Van der Peijl wil best een mooi meisje in de laatste Parijse mode fotograferen als dat past binnen een concept. Zoals in de productie die hij met fotograaf Astrid Zuidema maakte voor Blvd., Oh Bondage, I’m Yours, gestoeld op het werk van de Japanse fotograaf Araki. ‘Maar dan met westerse meisjes die op een grafischer wijze zijn gefotografeerd.’ Dat wat iemand beperkt is een van zijn thema’s. ‘Bondage is een heel letterlijke beperking, maar ik kan het ook zoeken in een moment waarop iemand zijn masker – de manier waarop iemand zichzelf presenteert – laat vallen.

Zoals hij in Rude / Portraits of State doet. ‘Zo’n moment vind ik interessant. Of ik geef mijn eigen visie: een masker dat volgens mij de echte persoonlijkheid weergeeft of dat juist weergeeft wat het masker van de geportretteerde is. Het zit op de scheidslijn tussen kitsch en identiteit. Dat is de eigenheid van mijn werk: het is niet puur, maar het is ook niet verpest. Het is een soort samenspel tussen waartoe iemand gedwongen wordt en wat iemand wil zijn.’

Handschrift

Sinds de komst van moderedacteuren bij Blvd. en Squeeze, de bladen waar hij het meest voor werkte, doet hij nog zelden styling voor bladen. ‘Ik kreeg op een bepaald moment echt ruzie met die moderedacteuren. Dan had ik iets gemaakt en vonden ze het te jaren tachtig. Tja, die schijnen voor eeuwig aan mij verbonden te zijn.’ Ten onrechte, zo moge duidelijk zijn. De jaren tachtig is inderdaad een belangrijke periode, maar hij put ook uit andere tijdvakken. Hij is namelijk niet op zoek naar vernieuwing an sich.

‘Ik werk altijd vanuit clichés en de geschiedenis. In die zin vind ik modestromingen als het minimalisme niet interessant. Ik houd van glamour en trash, de top en de goot en alles wat daar tussen wrikt. Als beeld vind ik zo’n houten jurk van Hussein Chalayan mooi, maar ik vind ontwerpers die een soort glitter en glamour over zich hebben leuker.’ Bovendien benader je dat verleden altijd met een hedendaagse blik en techniek. ‘Een goede ontwerper geeft er zelf een eigen draai aan, dat is juist zo interessant. Vooral als mensen dingen gaan mixen. Ik zeg wel eens: zoals een DJ platen mixt, mix ik stijlen en invloeden. Dat levert in mijn ogen een eigen beeld op.’

Hoe eigen dat beeld is, blijkt als hij in 1996 wordt uitgenodigd door het Stedelijk Museum om zijn styling te presenteren in de tentoonstelling Scanning. Er hangt werk van twaalf fotograferen, maar ze hebben één handschrift. ‘En wel dat van mij’, stelt Van der Peijl. ‘Het was helemaal niet de bedoeling dat aan te tonen. Ik had een soort concept bedacht en van alles op de muur geplakt. Uiteindelijk zag ik: dit zijn geen twaalf handschriften. Als je dat constateert, vind ik dat je dat ook mag zeggen. Ik begrijp wel dat mensen dan even moeten slikken, maar mijn styling gaat blijkbaar zover. Je moet wel bedenken dat ik niet voor niets werkte met fotografen die veel invloed toelaten van een stylist.’

Moment

Het zat hem sowieso al niet lekker dat de fotograaf letterlijk en figuurlijk de credits kreeg. ‘Voor vrij werk krijgt de stylist niets. Als het later in een museum hangt of in een boek komt, staat alleen de naam van de fotograaf erbij en krijgt alleen hij of zij geld. Ik wilde graag de copyrights op mijn beelden hebben, maar ik wil ook gewoon zelf het moment bepalen. Ik zag heel vaak mooie dingen gebeuren, waar dan geen foto van werd gemaakt. Dat het model opeens in even in haar neus peutert als de fotograaf weg is en even niet bezig is met hoe ze moet staan. Of korte momenten van ergernis of onzekerheid, of kapsones.’

Dus ging Van der Peijl zelf fotograferen, hoewel hij aanvankelijk onzeker was. ‘Wat haal je je in je hoofd, dacht ik dan. Ik werkte natuurlijk ook voor fotografen en het is in Nederland toch wel erg van: schoenmaker hou je bij je leest. Dat je met meerdere disciplines werkt, wekt vaker ergernis en onbegrip op dan bewondering.’ Die twijfels zijn overwonnen. ‘Zonder zweverig te willen klinken: ik ben tevreden zo. Als anderen het niks vinden, dan is dat jammer. Zelf ben ik er zeker van: dit is wat ik heb te melden.’

De tentoonstelling in het Fotomuseum in Den Haag begint met portretten uit 1998. Van der Peijl heeft een aantal meer of minder bekende Nederlanders gefotografeerd, zoals Roeland Fernhout, Rineke Dijkstra, Inez van Lamsweerde en Bas Kosters. Ze zijn niet allemaal even flatterend vastgelegd, zoals Frans Molenaar. ‘Ik meen het niet slecht en de geportretteerden mogen hun foto altijd afkeuren. Maar ik wil wel een soort authenticiteit.’

Bij de zussen van Loïs Lane doet hij dat bijvoorbeeld door ze als the beauty and the beast te portretteren. Met name Suzanne als de beast wijkt af van het geijkte beeld. ‘Loïs Lane wordt vaak neergezet als tweeling, terwijl ze heel andere persoonlijkheden hebben. Het zijn allebei wilde meiden, maar Monique is toch echt de beauty en Suzanne de beast, hoewel ze die twee kanten allebei in zich hebben.’

 

ruud van der peijl wildeman Mapplethorpe is Dead, 2001.Wildeman

Idolen uit de popmuziek vormen net als in de rest van zijn werk een inspiratiebron. Zo is de prominent aanwezige serie met Jakob Krabbé geïnspireerd op een wat onscherp beeld van een met glitters bezaaide Iggy Pop. ‘Jakob is de jongste telg van de Krabbé-dynastie die nog aan het begin van zijn carrière staat’, legt Van der Peijl uit. ‘Maar het is een enorm mooie jongen: the golden boy. Je zou het oppervlakkig kunnen noemen, maar ik vind dat het een soort belofte uitstraalt. Dat hij een Krabbé is, kan ook tegen hem werken. Daar speel ik mee.’

Een ander geslaagd portret toont Harrie Wildeman, befaamd collega-stylist uit de RoXY / Supperclub kringen. De titel, Mapplethorpe is Dead, verwijst naar de fotograaf Robert Mapplethorpe die kort voor zijn dood een zelfportret maakte in een vergelijkbare pose. Van der Peijl heeft een afbeelding van Wildemans hoofd laten maken voor op de staf in zijn handen. ‘Als hij aan de drugs was, kon hij zo’n nare grimas trekken. Nu zit hij heel serieus op de bank met op zijn stok zijn “andere ik”.’

Dat sommigen die achtergrond missen, vindt Van der Peijl geen probleem. ‘Het beeld moet communiceren zonder dat je er een uitleg bij krijgt. Ik hoop dat mensen het verschillend uitleggen. Sommigen worden heel kwaad of ergeren zich aan mijn werk. Dat komt vaak door die citaten, ze vinden dat het niet kan of mag. In ieder geval doet het wat, dat is voor mij genoeg.’

Superman

Superhelden uit stripboeken komen ook meermalen terug. ‘Ik ben altijd gek geweest van Superman.’ Als DJ Robin had hij een clubavond in de Amsterdamse Supperclub, Batcave. ‘Vrienden kwamen met in elkaar geniete maskertjes. Het leuke was dat het zo klunzig en ad hoc was.’ Een aantal van die mensen heeft hij gefotografeerd. Opmerkelijk is dat de meeste geportretteerden hun eigen kleding en styling verzorgden. ‘Gewoon, wat ze prettig vonden. Daarmee laten ze ook iets van zichzelf zien.’ Aan de ‘superhelden’ vroeg hij alleen of ze in die hoedanigheid wilden komen, wat ook hem soms verraste. ‘Dat Catwoman zelf een trui had aangetrokken met een poesje erop dat met een bolletje wol speelt, had ik zelf niet kunnen bedenken.’

Door zijn ervaring als fotograaf heeft styling voor hem geen andere betekenis of invulling gekregen. ‘Ik heb het altijd gezien als het maken van beeld en sfeer. Het is ook iets weglaten; we doen geen achtergrond, of we doen een bepaalde kleur. Dat is allemaal styling, tot en met het op het gemak stellen van het model. In die zin is het veelomvattend.’ Zijn beelden zijn wel directer en simpeler geworden. ‘Ik heb minder nodig om mijn boodschap over te brengen.’

Rude / Portraits of State is van 27 augustus t/m 13 november te zien in het Fotomuseum, Den Haag. Er verschijnt een gelijknamig magazine met een inleiding van gastcurator Jhim Lamoree (Terra, euro 22,95).

Naar boven