Spijkers en Spijkers: ‘Dragen is een werkwoord’

Hoewel ze kantoor houden in hartje Arnhem moet je voor een echte Spijkers en Spijkers nog steeds naar het buitenland. Naar Japan of China bijvoorbeeld. Of gewoon naar Londen. De oogstrelende kledinglijn van de goedlachse tweeling Truus en Riet Spijkers (1970) is sterk geïnspireerd op het modernisme van de jaren twintig en tóch eigentijds. Ze zijn streng: vorm moet een functie hebben.

Op de dag dat een paar honderd meter verderop voor het eerst de Arnhem Modebiënnale zal losbarsten heerst in het Spijkerkwartier gelegen hoofdkwartier van modelabel Spijkers en Spijkers een aangename rust. Twee honden genieten kwispelstaartend van de zon, een stagiair knipt patronen, af en toe dringen wat straatgeluiden door tot de lichte, hoge ruimte. Hier kunnen de tweelingzussen Truus en Riet Spijkers zich concentreren op hun eigen werk, zonder zich te laten afleiden door bijzaken als “het zien en gezien worden”.

‘Niets voor ons. Veel te vermoeiend’, klinkt het nuchter. Zo’n opening van de Modebiënnale, dat vinden ze nog wel leuk. ‘Maar het moet niet elke dag gebeuren’, grapt Truus. ‘We houden ons sowieso overal altijd een beetje buiten’, bekent Riet. ‘Ik geloof dat we niet zo van het groepsgebeuren houden.’ Zij zullen Academie-genoten als Viktor & Rolf of Bas Kosters, net als zij vertegenwoordigd op de Biënnale en net als zij opgeleid in modestad Arnhem, dan ook niet naar Amsterdam volgen. Truus: ‘Ik krijg het gevoel dat het echt een kliekje is. Helemaal niet fijn, ik ben blij dat ik hier zit.’ ‘Wat kijk je moeilijk’, plaagt haar zus.

Belijning

Er wordt wat afgelachen en gerelativeerd. Je zou bijna vergeten dat de winnaressen van de Robijn Fashion Award 1997 al sinds 1996 met succes een eigen label runnen en ieder half jaar een nieuwe collectie uitbrengen. Geen sinecure, want de tijdsdruk is enorm. Soms is dat jammer. ‘Mensen die meubels maken hebben de luxe dat ze lang kunnen nadenken over een ontwerp.’ Het heeft ook voordelen: ieder seizoen is het nieuwe ronden, nieuwe kansen. ‘Je moet jezelf heel snel vernieuwen en leren inspiratie op te pikken. Dat is wel een sport’, vindt Truus.

Ze zijn dan ook overal en altijd bezig met hun professie. ‘Bij elke vorm die je ziet denk je: o, dat is een leuke jurk of rok. Soms best irritant’, lacht Riet. Truus giechelt: ‘Soms maak ik een foto met mijn mobiel. Nooit van mensen. Van dingen: een auto, een stoel, het kan van alles zijn.’ ‘Het gaat om een belijning’, verduidelijkt haar evenbeeld. ‘De grill van een auto zou een prachtige jurk kunnen zijn.’

Helder

Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan, want er moet wel een lichaam in zo’n vorm passen, wat de vrijheid aanzienlijk beperkt. ‘Je moet echt technische ingrepen doen om een lichaam te kleden. Als je kunst maakt of andere dingen ontwerpt, heb je veel meer vrijheid’, vindt Riet. Op de opmerking van haar zus, ‘Maar op een stoel moet je ook kunnen zitten’, is haar reactie: ‘Ik vind het belangrijk dat iets draagbaar is, maar het hoeft niet lekker te zitten. Rietveld zei toch “zitten is een werkwoord”? Nou, dragen ook. Als je er mooi uit wilt zien hoeft het niet per se supercomfortabel te zijn.’

Het moge duidelijk zijn: hun kleding is niet bedoeld als vrijetijdskleding. Sommige tops kun je best bij een spijkerbroek dragen, vindt Truus, maar het is echt feestkleding. Eigenlijk vinden ze feestkleding een stom woord. Kleding voor speciale gelegenheden, verbetert haar zus. Een gepastere omschrijving; van feestkleding verwachten mensen misschien glitter en glamour, of gewaagde outfits. Hun ontwerpen zijn juist redelijk ingetogen.

Vanzelfsprekend

‘We willen altijd een duidelijk kledingstuk maken, helder’, vertelt Truus. ‘Het moet er vanzelfsprekend uitzien. De vormgeving is geïntegreerd in het kledingstuk. Het is vormgeving binnen de lijnen van een jurk, niet door een bocht hier en een strik daar te doen.’ Ergens zomaar een bloem opplakken en dan zeggen: nu is het mooi is niet hun ding. Riet: ‘Voor mij is het interessant als een zak een ornament is, of als een plooi op een plek zit die iets toevoegt aan de vorm.’

‘Een plooi voegt altijd iets toe’, wijsneust haar zus. ‘Ja, ruimte’ pareert Riet direct. De zussen zijn aan elkaar gewaagd. Ze leggen uit dat ze liever iets bijzonders doen met elementen die je nodig hebt, zoals mouwen, ritsen of zakken. Riet: ‘Ik vind het minder interessant om een rechte kokerrok te maken van goudbrokaat omdat de stof zo mooi is.’ Truus twijfelt: ‘Wel als het de outfit interessanter maakt: als ik een top heb waarbij een simpele rok moet omdat het anders te veel wordt.’

Toch zijn ze het doorgaans eens. Riet: ‘Als het ontwerp er nog niet helemaal is, hebben we wel discussie. Ik vind iets nog wel eens helemaal over de top, dat ik iets té vind.’ ‘En dan doen we het tóch’, roept Truus. ‘Soms’, knikt Riet. ‘Maar we moeten het wel eens zijn. Als we het niet allebei goed vinden, dan is het idee niet duidelijk. We moeten elkaar overtuigen: waarom ga je voor dat kleurtje of die stof of dat vormpje. Ik zie het niet, zeg ik dan. Ik zie het niet, leg het maar uit!’

Modernisme

Dat Riet naar de AKI Academie voor Beeldende Kunst & Vormgeving in Enschede ging en Truus naar de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem (Riet werd afgewezen omdat het beter voor hun persoonlijke ontwikkeling zou zijn om hun opleiding apart te volgen, discriminatie, noemt Riet het nu schertsend) heeft eigenlijk weinig invloed gehad op hun stijl. Net na de middelbare school waren ze al in aanraking gekomen met Art Deco en het modernisme. De jaren twintig-gedachte “vorm moet een functie hebben” bleek de dames op het lijf geschreven.

Het was als een herkenning, vertelt Truus. ‘Alsof het in je zit’. Ze worden allebei nog enthousiaster dan ze al waren en buitelen over elkaar heen als ze vertellen over de ‘vrouw-vrouwen’ van voor de jaren twintig. ‘Van die matrones.’ ‘Die bijna naar voren helden omdat ze zo’n zware buste hadden.’ ‘En van die zware korsetten droegen en van dat opgestoken haar.’ De vrouw van nu is toen ontstaan, stelt Truus terwijl Riet die nieuwe vrouw beschrijft: ‘Een slanke vrouw met korte haren die rookte, dronk en stoer was. Ze was gewoon leuk. En heel elegant. Dat vind ik belangrijk; een vrouwenlichaam is anders dan een mannenlichaam. Als ik wat maak wil ik gewoon dat een vrouw er mooier uitziet en zich ook mooier voelt. Dat vind ik het grootste compliment.’

Muze

Even begeesterd spreken ze over de militante vrouwen die ze kiezen als muze voor hun collecties: Dora Maar, schilderes en een van de minnaressen van Picasso; Nancy Cunard, schrijfster, uitgever, promotor van Afrikaanse kunst en cultuur en een van de weinigen die zich openlijk uitsprak tegen racisme; Claude Cauhun, surrealistisch fotografe. Ze werken graag met zo’n thema. Riet: ‘Je gaat over zo’n vrouw lezen en het gaat een eigen leven leiden. De ziel van die muze probeer je in je collectie te stoppen. Je projecteert jouw idealen op die vrouw. Het brengt bezieling in je werk.’

Als ze eenmaal gaan schetsen, laten ze hun inspiratiebron los. ‘Het is meer een gevoel dat over blijft.’ En soms kleine details, bijvoorbeeld broches van krantenpapier, gebaseerd op krantenknipsels die Picasso altijd voor Dora Maar uitknipte of een Afrikaanse print die voortkomt uit de voorliefde voor Afrika van Nancy Cunard. Grote voorbeelden uit de tijd zijn de modeontwerpsters Elsa ‘Shocking’ Schiaparelli en Madeleine Vionnet. ‘Allebei uit de jaren twintig’, gniffelen ze.

Ook de eigentijdse maatschappij laat zijn sporen achter in hun ontwerpen, al zou er nooit een T-shirt met de tekst STOP WAR hun ontwerptafel verlaten. ‘Ik houd me bezig met politiek, dus daarmee ben ik ook bezig als ik aan het ontwerpen ben,’ zegt Truus. ‘Welk effect dat heeft is moeilijk te benoemen. Je kunt een fleurige collectie maken terwijl er dood en verderf om je heen is. Dan doe je toch wat, al is het subtiel.’

Energie

Mode is maatschappij, vinden ze allebei. Het moet van nu zijn: modern. ‘Het moet aan de hand zijn.’ Riet wijst op een jurk uit hun meeste recente collectie. ‘Dit wil ik nu aan. En het vorige seizoen wilde ik de collectie van dat seizoen aan.’ Truus: ‘Een jurk van twee seizoenen geleden vind ik nog steeds mooi, maar ik heb meer zin om iets uit de nieuwe collectie te dragen.’

Omdat het zo lastig is uit te leggen wat modern is, noemen ze Balenciaga als voorbeeld. ‘Daar word ik warm van’, zegt Truus. ‘Dat is nu en niet volgende week of volgend jaar. Het is een energie die in de lucht hangt.’ Dit seizoen had iemand precies dezelfde kleur groen in zijn collectie als zij. ‘En dan ook nog met eenzelfde glitter, dat was gewoon raar. We hebben het niet van elkaar gezien.’ Een goede ontwerper moet dan ook kunnen oppakken wat er in de lucht hangt, vindt Riet. ‘Het is niet genoeg om technisch onderlegd te zijn, er moet iets extra’s zijn. Dat maakt het voor anderen ook aantrekkelijk.’

Elegantie

Truus vertelt dat de uitgeefster van Taschen vanuit Duitsland naar Arnhem kwam, nadat ze in Vogue op hun werk was gestuit. ‘Toch bijzonder dat ze iets van ons wilde: het is veel gemakkelijker om een Yves Saint Laurent of Dior te kopen, dat herkent iedereen ook nog. Ze zei dat het goed voelde, dat het haar raakte.’

Of ze het leuk zouden vinden als Spijkers en Spijkers een begrip zou worden, reageren ze twijfelend. Riet lijkt het wel wat, maar is het ook eens met haar zus, die blij is met hun huidige positie. ‘Mensen die echt geïnteresseerd zijn in kleding weten wie we zijn – op een bepaalde manier gonst het wel. En wij horen dat ook.’

‘Als je heel groot bent, kopen ze het voor je naam, niet omdat ze het mooi vinden’, knikt ook Riet. Wat een echte Spijkers en Spijkers inhoudt? Volgens Riet zijn een goede pasvorm en elegantie de belangrijkste kenmerken. ‘Als het je past, als het de goede maat voor je is, dan wil je het hebben. Dat denk ik echt.’

Foto Spijkers en Spijkers is van Erik Franssen

Naar boven